Een film die gemaakt moest worden

Verdwaasd staren we voor ons uit, in het café van het Utrechtse Louis Hartlooper Complex. We moeten nog bijkomen van wat net zagen. De Amsterdamse gangster Dries Riphagen die het vertrouwen won van rijke joden, hun bezittingen ‘in bewaring nam voor na de oorlog’, om ze vervolgens te verraden op hun onderduikadres. Een verhaal van goed en fout in de oorlog, maar niet zoals we gewend zijn. Geen held, maar een schurk die nietsontziend handelt. Een brute, nare man, die profiteert van de ellendige situatie en die er ook nog mee wegkomt. En op de aftiteling zagen we ook nog, tot onze schrik, dat hij na de oorlog doodleuk in Argentinië opdook als adviseur van Juan en Evita Perron. Zijn laatste dagen sleet hij niet in de gevangenis, maar in een luxe privékliniek in Zwitserland.

Toevallig had ik een paar dagen daarvoor op Netflix de film Süskind gezien, over de man die in dezelfde oorlog de scepter zwaaide over de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam. Süskind nam de functie in de Hollandsche Schouwburg aan om zijn eigen huid en haard te redden, maar kreeg gewetenswroeging en besloot honderden joodse kinderen via de kindercrèche te redden van het transport. Wel een film over een held en over keuzes, maar geen klassieke held, zoals in Soldaat van Oranje. Geen op een voetstuk geplaatste man die ALLEEN voor het goede kiest. Een man die in eerste instantie naïef instemt met wat hem gevraagd wordt en pas als het echt niet anders kan, moet inzien dat hij meewerkt aan de vernietiging van zijn eigen volk.

Ik had ik mijn portie Tweede Wereldoorlog-drama voor deze week wel gehad, maar mijn vriend had deze vrijdagavond de film uitgekozen en ik had er zonder veel nadenken mee ingestemd. Na tien minuten in het luchtledige staren, komt het gesprek met horten en stoten op gang. Bij het Louis Hartloopercomplex worden films altijd traditiegetrouw ingeluid met een kort praatje door een ‘explicateur’. Die sympathiek ogende man had ons al geadviseerd om na afloop met een ‘pilsje’- zo duidt de generatie van mijn ouders dat aan – in het café weer op adem te komen. Dat pilsje, een Weizener van Duitse makelij, hebben we hard nodig om dit te verwerken.

Ik vertel over mijn scriptie over het boek Ondergang van Jacques Presser. Op de universiteit onderzocht ik zo’n tien jaar geleden hoe zijn boek werd ontvangen in de Nederlandse media. Presser aanvaarde in 1950 de regeringsopdracht en beschreef in 500 bladzijden de anti-Joodse maatregelen in Nederland. Met het verschijnen van zijn boek in 1965 barstte een wond open die lang bedekt was onder een grote deken van zwijgzaamheid. Het was voor veel Nederlanders de eerste kennismaking met het leed van de joden. In enkele dagen werden 11.000 exemplaren verkocht. De conclusie van mijn scriptie luidde:

Hoewel ‘Ondergang’ de weg vrij heeft gemaakt voor een open discussie over de holocaust in Nederland, kan men de doorslaggevendheid van het boek in twijfel trekken. Historici als Blom kwamen in de jaren tachtig met het idee om het goed en fout denken in de historiografie los te laten. Hierdoor kan meer ruimte ontstaan voor een verwetenschappelijking van de historiografie en een vergelijking met de Shoah in het buitenland.

bron: Pixabay

‘Ondergang’ verscheen in een tijd die rijp was voor een nieuw geluid. Jacques Presser merkte zelf op dat het boek ongelofelijk goed getimed was. Dankzij de meelevende stijl van de schrijver en de heftigheid van het thema van het boek, kreeg het leed van de Jodenvervolging de erkenning die het verdiende. Zowel na het verschijnen, na Pressers dood als later, is er weinig kritiek op het boek gekomen. Door het grote respect dat men heeft voor de bijzondere mens en historicus Presser, heeft het boek een bijzondere status in het Nederlandse collectieve geheugen en in de historiografie verworven.

Ik tuur in mijn Weizener bier. Was Duits bier vlak na de oorlog ook populair in Nederland? Of was er geen café of filmhuis die het op de tap wilde hebben? Kon je in 1965 weliswaar een boek uitbrengen over de Jodenvervolging, maar was er ook ruimte geweest voor een film over een man die tijdens de oorlog op doortrapte wijze een vermogen wist te ontfutselen aan Joden die geen kant op konden? Een Nederlander die vrijwillig werkte voor de SD en zelfs landgenoten martelde?

Ik weet dat een joodse vriend van mijn ouders tot op de dag van vandaag met een grote boog om Duitsland heen rijdt, waar hij in Europa ook moet zijn. Een principekwestie. Toen ik in 2006 in Berlijn ging studeren was er niemand van mijn vrienden die raar opkeek of vroeg wat ik in dat verschrikkelijke Duitsland ging doen. Sterker nog, ik kreeg ieder weekend bezoek, omdat al mijn vrienden graag een weekendje naar het hippe Berlijn wilden komen.

Nu is de tijd rijp voor oorlogsfilms met nuances, semihelden en schurken.
Wie een stevige maag heeft en niet van romantische oorlogsfilms houdt, moet Riphagen zeker gaan zien. Het is een film die gemaakt kon en moést worden.

Facebooktwittergoogle_pluslinkedinmail